
een nominatief- nominatief enkelvoud vrouwelijk van het onbepaald lidwoord ein
[1] Nominativ Singular Femininum des unbestimmten Artikels ein
een accusatief- accusatief enkelvoud vrouwelijk van het onbepaald lidwoord ein
[2] Akkusativ Singular Femininum des unbestimmten Artikels ein
een nominatief onzijdig- nominatief enkelvoud onzijdig van de zwakke verbuiging van het telwoord ein
Nominativ Singular Neutrum der schwachen Flexion des Numerales ein
een accusatief onzijdig- accusatief enkelvoud onzijdig van de zwakke verbuiging van het telwoord ein
Akkusativ Singular Neutrum der schwachen Flexion des Numerales ein
een accusatief vrouwelijk- accusatief enkelvoud vrouwelijk van de zwakke verbuiging van het telwoord ein
Akkusativ Singular Femininum der schwachen Flexion des Numerales ein
een nominatief vrouwelijk- nominatief enkelvoud vrouwelijk van de zwakke verbuiging van het telwoord ein
Nominativ Singular Femininum der schwachen Flexion des Numerales ein
een nominatief mannelijk- nominatief enkelvoud mannelijk van de zwakke verbuiging van het telwoord ein
Nominativ Singular Maskulinum der schwachen Flexion des Numerales ein
een sterk accusatief- accusatief enkelvoud vrouwelijk van de sterke verbuiging van het telwoord ein
Akkusativ Singular Femininum der starken Flexion des Numerales ein
een sterk nominatief- nominatief enkelvoud vrouwelijk van de sterke verbuiging van het telwoord ein
Nominativ Singular Femininum der starken Flexion des Numerales ein