sich in der Endzeit ereignend, in Bezug auf die Endzeit (das Ende eines Zeitraums, eines Zeitalters, der Herrschaft, der Existenz von etwas)
„Er nimmt damit auf die von den Propheten wie von Jesus verheißene endzeitliche Sammlung der Völker auf dem Sion und den dann heraufziehenden universalen Frieden (shalom) Bezug.“
“Hij verwijst daarmee naar de door de profeten zoals door Jezus beloofde eindtijdlijke verzameling van de volkeren op de Sion en de dan aanbrekende universele vrede (sjalom).”
„[…] Das endzeitliche Bewußtsein war nicht nur wegen Atomangst und Waldsterben ein Wesenszug der achtziger Jahre.“
“[…] Het eindtijdlijke bewustzijn was niet alleen vanwege atoomangst en bossterfte een wezenskenmerk van de jaren tachtig.”