„Ihre Farbe ist sonnig gelb, an der Sonnenseite orangerot bis leuchtend erdbeerrot.“
„Haar kleur is zonnig geel, aan de zonzijde oranjerood tot helder aardbeirood.“
„Sie hatte unglaublich goldenes Haar, riesige, tiefblaue Augen und einen frischen, erdbeerroten Mund.“
„Ze had ongelooflijk gouden haar, enorme, diepblauwe ogen en een frisse, aardbeirode mond.“