stattfinden, sich ereignen, getan werden (der Inhalt des Tuns steckt im Subjekt des Satzes)
Die Änderung meiner Steuerklasse erfolgte am ersten dieses Monats.
De wijziging van mijn belastingklasse vond plaats op de eerste van deze maand.
„Die Änderungen erfolgten deliktsspezifisch mit unterschiedlicher Intensität. Am ausgeprägtesten war der Wandel bei den Straßenverkehrsdelikten.“
„De wijzigingen vonden delictafhankelijk met verschillende intensiteit plaats. Het meest uitgesproken was de verandering bij de verkeersdelicten.“