„Altweibersommer hat die braunen Ackerschollen mit Silberfäden überspannt, die wie die Saiten einer Gottesharfe im Sonnengolde hell erglänzen.“
"De nazomer heeft de bruine akkerkluiten met herfstdraden overspannen, die als de snaren van een godsharf in het zonnegoud helder schitteren."
„Wie fließendes Gold, erglänzt das Meer.“
"Als vloeiend goud schittert de zee."