gekleurd- van een of meer kleuren voorzien; niet zwart, wit of grijs
mit einer oder mehreren Farben versehen; nicht schwarz, weiß oder grau
Die Expressionisten malten oft sehr farbige Bilder.
De expressionisten schilderden vaak zeer gekleurde schilderijen.
2
levendig- de toehoorder aansprekend
den Zuhörer ansprechend
Sein Vortrag war sehr farbig und hat uns kein bisschen gelangweilt.
Zijn voordracht was zeer levendig en heeft ons geen moment verveeld.
3
niet-blank- niet-blankhuidig
nicht weißhäutig
In vielen Ländern der Erde ist die Bevölkerung überwiegend farbig.
In veel landen van de wereld is de bevolking overwegend niet-blank.
„Der farbige Butler verbeugte sich stumm und ging. Seine Verbeugung war mehr freundschaftlich als servil und erfolgte auch nur, weil Johnny Besuch zum Dinner hatte.“
„De niet-blanke butler boog stom en ging. Zijn buiging was meer vriendschappelijk dan onderdanig en gebeurde ook alleen omdat Johnny bezoek had voor het diner.“