An diesem feuchtkalten Herbsttag gingen wir nur kurz hinaus.
Op deze klamkoude herfstdag gingen we maar kort naar buiten.
„Er hob den Kopf und stieß ein leises Wiehern aus, dann trottete er gehorsam aus dem warmen Stall, hinaus in die neblige, feuchtkalte Frühe des Novembermorgens.“
Hij hief zijn hoofd op en liet een zacht gehinnik horen, toen dribbelde hij gehoorzaam uit de warme stal naar buiten, de mistige, klamkoude vroegte van de novemberochtend in.