„Blinde Augenhöhlen starrten die Eindringlinge an, fleischlose Kiefer waren erstarrt in immerwährendem Grinsen, von jeder fleischlichen Hülle entblößte Gliedmaßen und Hände entboten ihnen einen stummen Gruß.“
„Blinde oogkassen staarden de indringers aan, uitgemergelde kaken waren verstard in een eeuwige grijns, van elke vlezige omhulling ontblote ledematen en handen brachten hun een stomme groet.“