(etwas oder jemanden) durch eine Bewegung der Luft (Pusten) entfernen, wegbewegen
„Die aufwendige Prägeschrift des Folianten auf dem Pult offenbarte sich ihm erst, als er die dicke Staubschicht fortgepustet hatte, die auf dem Einband ruhte“.
“Het uitvoerige reliëfschrift van het folioboek op de lessenaar openbaarde zich hem pas toen hij de dikke stoflaag had weggeblazen die op de band lag”.
„Ich blies in die Mundharmonika wie der große böse Wolf, wenn er das Haus der drei kleinen Schweinchen fortpustet.“
“Ik blies op de mondharmonica als de grote boze wolf wanneer hij het huisje van de drie biggetjes wegblaast.”