die Freiheit besonders wertschätzend; sich für die Freiheit engagierend, Fürsprache für die Freiheit einlegend
„Katzen erziehen noch den freiheitsliebendsten Mann zu willfährigem Personal.“
"Katten voeden nog de meest vrijheidslievende man op tot gewillig personeel."
„Sie, die die Sowjetunion nur mehr vom Hörensagen kennen, könnten die Avantgarde eines freiheitsliebenderen Russlands sein.“
"Zij, die de Sovjet-Unie alleen nog van horen zeggen kennen, zouden de voorhoede van een vrijheidslievender Rusland kunnen zijn."