
verkrachten- geslachtsgemeenschap hebben, verkrachten
Geschlechtsverkehr haben, vergewaltigen
plagen- plagen, kwellen, ergeren, verdrieten
plagen, quälen, ärgern, verdrießen
bedroeven- bedroeven, bekommeren, leed doen
betrüben, bekümmern, leid tun
vallen- vallen
fallen
gooien- werpen, gooien
werfen, schmeißen