
naar buiten gaan- zich te voet van binnen, uit het binnenste van iets naar buiten, naar buiten begeven (naar de spreker toe)
sich zu Fuß von drinnen, aus dem Inneren von etwas nach draußen, ins Freie begeben (zum Sprechenden)
eruit gaan- zich uit iets losmaken, trekken, zich van iets laten losmaken, laten verwijderen
sich aus etwas lösen, ziehen, von etwas beseitigen, entfernen lassen
loskomen- zijn remmingen, onzekerheden bij iets laten varen, overwinnen (en daardoor onbevangen zijn, handelen)
seine Hemmungen, Unsicherheiten bei etwas fallen lassen, überwinden (und in der Folge unbefangen sein, handeln)