uitsteken- verder naar voren/boven/buiten zijn dan de rest
weiter vorne/oben/außen sein als der Rest
Der Baum ist in den See gestürzt, nun ragt von ihm nur noch ein Ast hervor.
De boom is in het meer gevallen, nu steekt er alleen nog een tak van uit.
Unter der Decke ragte ein Arm hervor.
Onder het dek stak een arm uit.
2
uitblinken- anders (en meestal beter) zijn dan de rest
anders (und meist besser) sein als der Rest
„Anton Romakos ‚Tegetthoff in der Seeschlacht bei Lissa‘ ragt aus der Masse dieser Historienbilder visuell hervor — ein kleines Bild mit großer Wirkung.“
"Anton Romako's 'Tegetthoff in de zeeslag bij Lissa' blinkt visueel uit in de massa van deze historieschilderijen — een klein schilderij met grote werking."
Keiner wagte, etwas zu sagen und so aus der Masse hervorzuragen.
Niemand durfde iets te zeggen en zo boven de massa uit te blinken.