kleinburgerlijk- de kleinburgerij betreffend, ertoe behorend
das Kleinbürgertum betreffend, zu ihm gehörend
„Der Bundespräsident und seine Familie geben sich betont kleinbürgerlich: Sie nehmen eine Auszeit in einer einfachen Pension mit Heubad in Thüringen.“
„De bondspresident en zijn gezin gedragen zich nadrukkelijk kleinburgerlijk: zij nemen een time-out in een eenvoudig pension met hooibad in Thüringen.“