agrarisch- de landbouw betreffend, erop berustend, ervan afkomstig, ertoe behorend
die Landwirtschaft betreffend, auf ihr beruhend, von ihr herrührend, zu ihr gehörend
Mein Vater hat einen landwirtschaftlichen Betrieb. Er ist Bauer.
Mijn vader heeft een agrarisch bedrijf. Hij is boer.
Obwohl sie das Leben in der Großstadt mag, braucht sie die Natur und die Bodennähe, die ein landwirtschaftlicher Beruf mit sich bringt.
Hoewel zij het leven in de grote stad graag mag, heeft zij de natuur en de verbondenheid met de grond nodig die een agrarisch beroep met zich meebrengt.
2
voor de landbouw- ten dienste van de landbouw
der Landwirtschaft dienend
Diese [nachhaltige Landnutzung] sind nicht nur für die lokale Ernährungssicherung von hoher Relevanz, sondern auch für die landwirtschaftliche, medizinische und biotechnologische Forschung.
Deze [duurzame landgebruik] zijn niet alleen van groot belang voor de lokale voedselzekerheid, maar ook voor het landbouw-, medisch en biotechnologisch onderzoek.