naast elkaar- in onmiddellijke nabijheid en met gelijke oriëntatie
in unmittelbarer Nähe und gleicher Orientierung
„Jeweils drei Blöcke liegen parallel nebeneinander und bilden so quer zur Weißenböckstraße ausgerichtete Gruppen.“
“Telkens liggen drie blokken parallel naast elkaar en vormen zo dwars op de Weißenböckstraße gerichte groepen.”
„Die gesamte Breite der Brücke nahmen sie ein, marschierten nebeneinander.“
“Zij namen de volle breedte van de brug in, marcheerden naast elkaar.”
2
gelijktijdig- terzelfder tijd werkzaam of ook maar aanwezig
zur gleichen Zeit tätig oder auch nur vorhanden
„Nach diesem Entwurf soll die Heilung der Zweitehe offenbar sogar mit Rückwirkung eintreten, so daß auch nach Scheidung der Erstehe eine Zeitlang zwei Ehen nebeneinander gültig bestanden hätten.“
“Volgens dit ontwerp moet de heling van het tweede huwelijk blijkbaar zelfs met terugwerking intreden, zodat ook na scheiding van het eerste huwelijk een tijdlang twee huwelijken gelijktijdig geldig zouden hebben bestaan.”