„Man kann zwar nicht sagen, daß Leibniz die Kantschen Paradora antizipiert habe, wozu er zu besonnen ist, aber er prädisponierte die Geister zu deren Aufnahme.“
„Men kan weliswaar niet zeggen dat Leibniz de Kantiaanse paradoxa heeft geanticipeerd, waarvoor hij te bezonnen is, maar hij bepaalde vooraf de geesten voor de ontvangst ervan.“
2
predisponeren- een predispositie meegeven; (voor een ziekte) vatbaar maken
eine Prädisposition mitgeben; (für eine Erkrankung) anfällig machen
„Dagegen scheint eine gleichzeitige Infektion bei einer Cholelithiasis, auf Grund des Materials zu urteilen, nicht mehr für die Auslösung einer Pankreatitis zu prädisponieren als ein unkompliziertes Gallensteinleiden.“
„Daarentegen lijkt een gelijktijdige infectie bij een cholelithiasis, naar het materiaal te oordelen, niet meer tot het uitlokken van een pancreatitis te predisponeren dan een ongecompliceerd galsteenlijden.“