uitstorten- iets door sterk kantelen uit een vaatwerk verwijderen
etwas durch starkes Kippen aus einem Gefäß entfernen
Ich schütte Wasser auf den Boden.
Ik stort water op de grond.
„Der Sage nach rastete einst ein vom weiten Weg ermüdeter Riese auf der Felskante des Sonnenstein und schüttete währenddessen den Sand aus seinen Siebenmeilenstiefeln.“
„Volgens de sage rustte eens een van de lange weg vermoeide reus op de rotsrand van de Sonnenstein en stortte intussen het zand uit zijn zevenmijlslaarzen.‟
2
stortregenen- zeer hard regenen
sehr stark regnen
Es schüttet wie aus Eimern.
Het stort als met bakken uit de hemel.
„Es wird in den kommenden Jahren weniger oft nieseln, aber immer häufiger schütten.“
„Het zal in de komende jaren minder vaak motregenen, maar steeds vaker stortregenen.‟