„Er ließ den Kopf in den Nacken fallen und jaulte hinauf in den blauen, sonnenlosen Himmel.“
„Hij liet zijn hoofd in zijn nek vallen en jankte omhoog naar de blauwe, zonloze hemel.“
„In einem Steinkreis auf dem schmierigen, sonnenlosen Lehm brannte ein Feuer; ein alter Mann hockte davor.“
„In een steencirkel op de vettige, zonloze leem brandde een vuur; een oude man hurkte ervoor.“