dem nicht-neutralen, aus dem Zusammenfall von Femininum und Maskulinum entstandenen grammatischen Geschlecht „Utrum“ angehörend beziehungsweise sich darauf beziehend (namentlich im Schwedischen oder Dänischen)
„Auf das utrale ›dator‹ ‚Computer‘ muss mit dem utralen Pronomen ›den‹ verwiesen werden, auf das neutrale ›hus‹ ‚Haus‘ mit dem neutralen Pronomen ›det‹.“
"Naar het utrale 'dator' 'computer' moet met het utrale pronomen 'den' worden verwezen, naar het onzijdige 'hus' 'huis' met het onzijdige pronomen 'det'."
„Im Schwedischen gibt es fünf verschiedene Pluralendungen und somit auch fünf Deklinationsklassen, wobei diese in zwei Unterklassen aufgeteilt werden, wenn in der Klasse utrale und neutrale Wörter zu finden sind.“
"In het Zweeds zijn er vijf verschillende meervoudsuitgangen en dus ook vijf declinatieklassen, waarbij deze in twee subklassen worden verdeeld wanneer in de klasse utrale en onzijdige woorden te vinden zijn."