In „Peter sollte gestern kommen“ ist „sollte…kommen“ ein verbales Satzglied in der Funktion des Prädikats; es enthält außer der finiten Verbform „sollte“ den Infinitiv „kommen“.
In Peter zou gisteren moeten komen is zou…komen een verbaal zinsdeel in de functie van predicaat; het bevat behalve de finiete werkwoordsvorm zou de infinitief komen.
In „Peter wurde gesehen“ ist „wurde gesehen“ das verbale Satzglied, das in diesem Fall außer der finiten Verbform „wurde“ das Partizip „gesehen“ enthält.
In Peter werd gezien is werd gezien het verbale zinsdeel, dat in dit geval behalve de finiete werkwoordsvorm werd het participium gezien bevat.