„Jetzt ging sie an den Stellen entlang, die von verdorrtem Unkraut verdeckt wurden, und wo sie es streifte, warf es spärliche Wölkchen von herabrieselndem Staub ab.“
Nu liep zij langs de plekken die door verdord onkruid bedekt waren, en waar zij het aanraakte, wierp het schaarse wolkjes neerdwarrelend stof op.