langsam und schwerfällig herankommen und sich dann wieder entfernen, trottend vorbeigehen
„Heute jedoch wirkte sie noch viel erbärmlicher, als sie mit ihrer Tochter an der Hand vorbeitrottete.“
Vandaag echter leek ze nog veel erbarmelijker toen ze met haar dochter aan de hand voorbijsjokte.
„Alle Gesichter lugten zu den Fenstern hinaus, aber als er vorbeitrottete, wandten sie sich und verfolgten ihn mit ihren Blicken.“
Alle gezichten gluurden naar buiten door de ramen, maar toen hij voorbijsjokte, wendden ze zich af en volgden hem met hun blik.