„Wortgewaltig bekundet sie ihren Abscheu vor dem Unglücksboten und seinem Amt.“
„Welsprekend geeft zij uiting aan haar afschuw voor de onheilsbode en zijn ambt.“
Der zerbrechliche, alte Mann trägt eine zitternder Stimme, aber doch wortgewaltiges, ein Gedicht vor.
De broze, oude man draagt met bevende stem, maar toch welsprekend, een gedicht voor.