
samenhangen- zijn grond in iets hebben; in een betrekking tot iets anders, genoemds staan; zo met elkaar verbonden zijn dat er een wederzijdse afhankelijkheid bestaat
seinen Grund in etwas haben; in einer Beziehung zu etwas anderem, Genannten stehen; so miteinander verbunden sein, dass eine wechselseitige Abhängigkeit vorhanden ist
aaneenhangen- lichamelijk/ruimtelijk met elkaar verbonden zijn
körperlich/räumlich miteinander verbunden sein
bijeenhangen- op dezelfde plaats ophangen; op dezelfde plaats hangen
am gleichen Ort aufhängen; an den gleichen Ort hängen