botsen- lopend, rennend of rijdend met kracht tegen iets botsen
im Gehen oder Laufen oder Fahren mit Wucht gegen etwas prallen, stoßen
Ihr Mann, sagten die Männer, als sie der Frau auf dem Treppenabsatz gegenüberstanden, sei bei der Ausfahrt von der Autobahn mit einem anderen Wagen zusammengestoßen.
Haar man, zeiden de mannen toen ze tegenover de vrouw op het trappenhuis stonden, was bij het afrijden van de snelweg tegen een andere auto gebotst.
2
ruziën- met iemand in ruzie raken
mit jemandem in Streit geraten
Mein Cousin war kein einfaches Kind, der ist damals mit jedem zusammengestoßen.
Mijn neef was geen gemakkelijk kind, die kreeg het destijds met iedereen aan de stok.