„Er hatte seinen einzigen guten Anzug an, ein altmodisches Überbleibsel aus seiner großen Zeit, und die Narbe an seiner Nase war schneeweiß.“
„Hij droeg zijn enige goede pak, een ouderwets overblijfsel uit zijn grote tijd, en het litteken op zijn neus was sneeuwwit.“
„Der Rolandsbogen, letztes Überbleibsel der ehemals auf einem Bergsporn oberhalb der Insel Nonnenwerth gelegenen, mittelalterlichen Rolandsburg, war eingestürzt.“
„De Rolandsboog, laatste overblijfsel van de voormalige middeleeuwse Rolandsburcht op een berguitloper boven het eiland Nonnenwerth, was ingestort.“