„Da hebt der Abendstern gemach / sich aus den Föhrenzweigen, / und grade ob der Hütte Dach / scheint er sich mild zu neigen.“
„Daar verheft de avondster langzaam / zich uit de dennetakken, / en juist boven het dak van de hut / schijnt zij zich mild neer te buigen.“
„Oft wanderte Martin abseits des Biwakfeuers über die Felder, sah der Sonne nach, wenn sie am westlichen Horizont versank und eine kleine zweite Sonne, den Abendstern, aufleuchten ließ.“
„Vaak dwaalde Martin weg van het bivakvuur over de velden, keek de zon na toen die aan de westelijke horizon onderging en een kleine tweede zon, de avondster, liet oplichten.“