Beispiel für Flexion: Das Präteritum von „singen“ wird durch Ablaut gebildet: „sang“.
Voorbeeld voor verbuiging: De verleden tijd van “zingen” wordt door ablaut gevormd: “zong”.
Beispiel für Wortbildung: Das Substantiv zu „singen“ wird ebenfalls durch Ablaut gebildet: der „Sang“.
Voorbeeld voor woordvorming: Het substantief bij “zingen” wordt eveneens door ablaut gevormd: de “zang”.