„Sie tunkten dicke Brotscheiben mit einer großzügig aufgetragenen Schicht salziger Butter in die Suppe.“
“Zij doopten dikke sneden brood met een royaal aangebrachte laag zoute boter in de soep.”
„Der Gefreite schneidet die dicke Brotscheibe in kleine Häppchen mit dem Taschenmesser, das er vorher an seiner Hose abwischt.“
“De korporaal snijdt de dikke snee brood met het zakmes, dat hij vooraf aan zijn broek afveegt, in kleine hapjes.”