„Dabei kann ich nicht behaupten, solch Gefasel hätte in mir einen geistigen Aufstand entfacht.“
“Daarbij kan ik niet beweren dat zulk gezwets in mij een geestelijke opstand heeft ontketend.”
„Er hatte sich jetzt warmgeredet, und sein Gefasel war so wohltuend wie das Kreischen eines Brettes, das im Sägewerk zersägt wurde.“
“Hij had zich nu warm gepraat en zijn gezwets was zo weldadig als het gekrijs van een plank die in de zagerij wordt doorgezaagd.”