„Ruth heiß ich, Halbwaise bin ich, meine Mutter war vierundzwanzig, als sie starb; […].“
„Ik heet Ruth, ik ben een halve wees, mijn moeder was vierentwintig toen ze stierf; […].“
„Seit deine arme Mama nicht mehr ist, bist du eine Halbwaise.“
„Sinds je arme mama er niet meer is, ben je een halve wees.“