Spätsommer und Herbst waren einst Hutzel- und Dörrzeit.
Nazomer en herfst waren einstijd droogvrucht- en droogtijd.
Die Hutzeln zu den Kartoffeln schütten und noch mal durchkochen.
Doe de droogvruchten bij de aardappelen en kook nogmaals door.
2
besje- oude vrouw met een rimpelige huid
alte Frau mit runzliger Haut
Ja, wenn ich eine Hutzel wäre, aber ich weiß, daß ich eine der schönsten Frauen innerhalb der Ringbahn bin, man hat es mir gesagt, sehr viele edle Herren.
Ja, als ik een besje was, maar ik weet dat ik een van de mooiste vrouwen binnen de Ringbahn ben, men heeft het mij gezegd, heel veel edele heren.
3
dennenappel- dennenappel
Tannenzapfen
Räume die Hutzeln und Äste weg, damit wir unser Zelt aufbauen können.
Ruim de dennenappels en takken weg, zodat we onze tent kunnen opzetten.