Zoek woordenschat...
Woordenboek
Een Duits woord dat je nog niet snapt? 🌱
Kassierer
der
[kaˈsiːʁɐ]
Zelfstandig naamwoord
Meervoud: Kassierer
Definities
1
kassier
- die de kas voert
die Kasse Führender
„Der Professor war beim Schalter des
Kassierers
stehen geblieben, wo er sein Geld bekommen sollte.“
„De professor was bij het loket van de kassier blijven staan, waar hij zijn geld zou krijgen.“
2
kasbeheerder
- beheerder van de kas
Verwalter der Kasse
Der
Kassierer
übergab dem Vorsitzenden die aktualisierte Mitgliederliste.
De kasbeheerder overhandigde de voorzitter de geactualiseerde ledenlijst.
Synoniemen
Kassenwart
Kassier
Specifiekere woorden (hyponiemen)
Vereinskassierer
Zelfstandig naamwoord