
bekwaamheid- persoonlijk vermogen, vaardigheid
persönliches Vermögen, Fähigkeit
bevoegdheid- opgelegde verantwoordelijkheid, bevoegdheid
auferlegte Zuständigkeit, Befugnis
taalcompetentie- vermogen van de spreker van een taal om met een beperkt aantal elementen en regels een onbeperkt aantal uitingen te vormen en te begrijpen en om over de taalkundige juistheid van uitingen te oordelen
Fähigkeit des Sprechers einer Sprache, mit einer begrenzten Anzahl von Elementen und Regeln eine unbegrenzte Zahl von Äußerungen zu bilden und zu verstehen sowie über die sprachliche Richtigkeit von Äußerungen zu entscheiden
celcompetentie- in tijd beperkte reactiebereidheid van cellen ten opzichte van een bepaalde ontwikkelingsprikkel
zeitlich begrenzte Reaktionsbereitschaft von Zellen gegenüber einem bestimmten Entwicklungsreiz
bestaansminimum- de niet voor beslag vatbare middelen die nodig zijn voor het levensonderhoud van een geestelijke
die nichtpfändbaren Mittel, die zum Unterhalt eines Klerikers benötigt werden