bestimmendes Merkmal von Misanthropen und Misanthropinnen; unspezifischer Hass auf Menschen
„Das Nichtvorhandensein von Misanthropie bedeutet keineswegs Philanthropie.“
„Het ontbreken van misantropie betekent geenszins filantropie.“
„Seine Misanthropie war zunächst Versuch, der über ihm zusammenschlagenden Welle von Verachtung die Handlungsmacht zu entreissen.“
„Zijn misantropie was aanvankelijk een poging om aan de over hem heen slaande golf van verachting de handelingsmacht te ontrukken.“