In dem Satz: "Vorne siehst du die Stadt, dahinter den Fluss" sind "vorne" und "dahinter" Ortsadverbien.
In de zin: "Voor zie je de stad, daarachter de rivier" zijn "voor" en "daarachter" plaatsbijwoorden.
Ortsadverbien können den Ort oder die Richtung angeben.
Plaatsbijwoorden kunnen de plaats of de richting aangeven.