eines der Tempora, das ein Geschehen zeitlich vor einem anderen, vergangenen Geschehen einordnet
„Nachdem das Flugzeug gelandet war, spielten die Passagiere Gitarre.“ Der temporale Nebensatz steht im Plusquamperfekt, da er sich vor dem Hauptsatz ereignete.
„Nadat het vliegtuig was geland, speelden de passagiers gitaar.“ De temporele bijzin staat in de voltooid verleden tijd, omdat hij zich voor de hoofdzin afspeelde.
„Hatte gespielt“ ist eine Verbform im Plusquamperfekt.
„Had gespeeld“ is een werkwoordsvorm in de voltooid verleden tijd.