„Ich gebe meine Tochter keinem Rotürier, der ohne Gefühl für den Werth des Adels ist, und unsern Namen aus lauter Tugend an den Pranger nageln will.“
“Ik geef mijn dochter aan geen niet-edelman die geen gevoel heeft voor de waarde van de adel en onze naam uit louter deugd aan de schandpaal wil nagelen.”
„Sie hatte daher drei wesentlich verschiedene Prinzipien für das System ihres Privatrechts, den Geistlichen, den adeligen Herrn und den Rotürier.“
“Zij had daarom drie wezenlijk verschillende beginselen voor het stelsel van haar privaatrecht, de geestelijke, de adellijke heer en de niet-edelman.”