deutsche Bezeichnung für Prädikat; syntaktische Funktion des verbalen Satzgliedes, das eine Aussage über das Subjekt macht und mit ihm kongruiert
In dem Satz „Peter schläft.“ ist „schläft“ die Satzaussage.
In de zin „Peter slaapt.“ is „slaapt“ het predicaat.
„Bei einfacher Aussage gilt im allgemeinen das Satzschema:…, das heißt eine verbale Personalform, ein Verbum finitum, das im deutschen Satz gemeinhin Träger der Satzaussage (Prädikation) ist, steht in Zweitstellung.“
„Bij een enkelvoudige uitspraak geldt in het algemeen het zinsschema:…, dat wil zeggen een verbale persoonsvorm, een verbum finitum, dat in de Duitse zin doorgaans drager van het predicaat (predicatie) is, staat op de tweede plaats.“