„Er trug ein rotes Samtkäppchen mit grüner Hahnenfeder, einen Schlafrock von Maulwurfsfellen, eine hirschlederne Hose und spitze Pantoffeln von Krokodilshaut.“
„Hij droeg een rood fluwelen kapje met groene hanenveer, een kamerjas van mollenbont, een hertenleren broek en puntige pantoffels van krokodillenleer.“
„Morgens mußte ich seinen persischen Schlafrock überwerfen und abends in schwarzem Pagenkostüm durchs Zimmer gehn; an Hals, an Knien und Ärmeln weiße Spitzenaufschläge.“
„’s Ochtends moest ik zijn Perzische kamerjas omslaan en ’s avonds in zwart pagekostuum door de kamer gaan; aan hals, knieën en mouwen witte kanten opslagen.“