das durch starke Emotionen ausgelöste, vorübergehende Unvermögen, etwas in Worte zu fassen
Man sah ihr die Sprachlosigkeit an, als der Fachmann zu ihr sagte, er kenne die Grundlagen seines Berufs nicht.
Men zag haar de sprakeloosheid aan toen de vakman tegen haar zei dat hij de grondslagen van zijn beroep niet kende.
„Möglicherweise ist ein Grund dafür in der häufig beschriebenen Sprachlosigkeit zwischen Kindern und Eltern zu finden:…“
“Mogelijk is een grond daarvoor te vinden in de vaak beschreven sprakeloosheid tussen kinderen en ouders:…”