Im ganzen See wächst Tang.
In het hele meer groeit wier.
„Ich glaube, ich roch die Klippen und den Tang und das Schäumen der Wellen, die Schärfe des Jods und den darunterliegenden Geruch von ausgewaschenen und zerbrochenen Kalkmuscheln.“
„Ik geloof dat ik de klippen en het wier en het schuimen van de golven rook, de scherpte van het jodium en daaronder de geur van uitgespoelde en gebroken kalkschelpen.“