
doofheid- de toestand doof te zijn, dat wil zeggen het onvermogen te horen; niet willen horen, verstokt zijn
der Zustand, taub zu sein, das heißt die Unfähigkeit zu hören; nicht hören wollen, verstockt sein.
gehoorverlies- de toestand doof te zijn, dat wil zeggen het onvermogen te horen
der Zustand, taub zu sein, das heißt die Unfähigkeit zu hören
gevoelloosheid- de gevoelloosheid en verdoving, niet kunnen voelen (zintuiglijk, niet emotioneel)
die Gefühllosigkeit und Betäubung, nicht fühlen zu können (sensorisch, nicht emotional)
leegheid- de onvruchtbaarheid van een mijn; leegte, zonder inhoud (vergelijk loze noot)
Unergiebigkeit einer Mine; Leere, ohne Inhalt (vergleiche taube Nuss).