„Die Teilnahmslosigkeit, die sie an den vergangenen Verhandlungstagen gezeigt hat, ist gewichen.“
„De onverschilligheid die zij op de afgelopen zittingsdagen heeft getoond, is geweken.“
„Was den guten Pfarrer aber an dem querköpfigen Knaben am meisten verdroß, war seine totale Teilnahmslosigkeit.“
„Wat de goede pastoor aan de eigenwijze jongen het meest ergerde, was zijn totale onverschilligheid.“