Sie kamen über die Elbe und siedelten bis hinauf zur Eider, rodeten die Wildnis und betrieben Ackerbau und Viehzucht.
Zij kwamen over de Elbe en vestigden zich tot aan de Eider, rooiden de wildernis en bedreven akkerbouw en veeteelt.
Empfanget mich, ihr stillen Wildnisse der Fremde und gebet mir die längst ersehnte Ruhe!
Ontvangt mij, gij stille wildernissen van den vreemde en geeft mij de lang verbeide rust!