
afzetten- zich van iets (vaak een vast punt) afstoten, wegduwen of wegdrukken; zich door een stoot van iets verwijderen (eventueel op een bewegend vervoermiddel)
sich von etwas (oft einem Fixpunkt) wegstoßen, wegschieben oder wegdrücken; sich durch einen Stoß von etwas wegbewegen (eventuell auf einem beweglichen Transportmittel)
wegduwen- met mechanische kracht wegstoten
mittels mechanischer Kraft wegstoßen
afstoten- door magnetische of elektromagnetische velden verplaatsen
mittels magnetischen oder elektromagnetischen Feldern verschieben
beschadigen- iets door een stoot beschadigen; vormverlies door stoten (vooral aan de randen)
etwas durch einen Stoß beschädigen; Formverlust durch Stöße (besonders an den Kanten)
afbreken- iets door een stoot afslaan
etwas durch einen Stoß abschlagen
afslijten- iets door een of meer stoten verslijten
etwas durch einen oder mehrere Stöße abnutzen
dumpen- iets (vaak met verlies of haastig) verkopen of kwijtraken (waarbij de nadruk ligt op het feit dat men het daarna niet meer heeft)
etwas (oft mit Verlust oder eilig) verkaufen oder loswerden (wobei der Aspekt betont wird, dass man es danach nicht mehr hat)
afschrikken- afkeer (door uiterlijk of gedrag) opwekken; iemand niet aardig vinden; iemand goor vinden
Widerwillen (durch Äußeres oder Benehmen) erregen; jemanden nicht gut finden; jemanden eklig finden
verwerpen- biologische beschermingsreactie van het lichaam, dat delen van zichzelf afscheidt
biologische Schutzreaktion des Körpers, der Teile von sich absondert
afweren- iets niet laten binnendringen
etwas nicht eindringen lassen