„Daß niemals ein Mensch demjenigen adäquat handeln werde, was die reine Idee der Tugend enthält, beweist gar nicht etwas Chimärisches in diesem Gedanken.“
"Dat nooit een mens adequaat zal handelen aan wat het zuivere idee van de deugd inhoudt, bewijst helemaal niet iets hersenschimmigs in deze gedachte."
„Die Schrift ist nicht nur nicht die Sprache selbst, sondern sie ist derselben auch in keiner Weise adäquat.“
"Het schrift is niet alleen niet de taal zelf, maar het is daaraan ook op geen enkele wijze adequaat."