
aanmaken- iets door mengen voor gebruik voorbereiden
etwas durch Mischen zum Gebrauch vorbereiten
aansteken- vuur aansteken
(Feuer) anzünden
aandoen- een apparaat inschakelen
(ein Gerät) einschalten
vastmaken- bevestigen, vastzetten
befestigen
versieren- met iemand flirten
mit jemandem flirten
uitdagen- met iemand ruzie zoeken, iemand provoceren
mit jemandem Streit suchen
bevuilen- zich met uitscheidingsproducten bevuilen
sich mit Ausscheidungsprodukten beschmutzen
opwekken- appetijt maken, begeerte wekken
Appetit machen, Gelüste wecken