
openbreken- iets dat gesloten is, met geweld openen
etwas, das verschlossen ist, mit Gewalt öffnen
opbreken- (een intact vlak, oppervlak) in afzonderlijke stukken breken
(eine intakte Fläche, Oberfläche) in einzelne Stücke brechen
omploegen- (een akkergrond of dergelijke) met een ploeg (voor het eerst of opnieuw) bewerken, omkeren
(einen Ackerboden oder dergleichen) mit einem Pflug (erstmals oder erneut) bearbeiten, umwenden
openscheuren- iets onachtzaam en met haast openen
etwas unachtsam und mit Hast öffnen
ontweiden- van geschoten wild de ingewanden verwijderen
einem erlegten Wild die Eingeweide entnehmen
afbreken- een kamp, tent, tentenkamp afbouwen
ein Lager, Zelt, Zeltlager abbauen
opengaan- zich plotseling (zonder uiterlijke inwerking, vanzelf) openen
sich plötzlich (ohne äußere Einwirkung, von selbst) öffnen
openspringen- (van een oppervlak) zich uiteenbrekend, scheurend, barstend openen
(von einer Oberfläche) sich auseinanderbrechend, aufreißend, aufplatzend öffnen
uitbreken- (plotseling [opnieuw]) duidelijk herkenbaar, zichtbaar worden; (plotseling) openlijk worden
(plötzlich [wieder]) deutlich erkennbar, sichtbar werden; (plötzlich) offenkundig werden
vertrekken- zich van een plaats verwijderen, een plaats verlaten
sich von einem Ort entfernen, einen Ort verlassen
beginnen- iets (nieuws) aanpakken, op het punt staan iets (nieuws) te doen
etwas (Neues) in Angriff nehmen, im Begriff sein, etwas (Neues) zu tun